Het ontstaan en de vroegste geschiedenis van het klooster van Schellebelle is onlosmakelijk verbonden met de geest van christelijke liefdadigheid die de brouwers- en burgemeestersfamilie Matthys uit de Wettersestraat kenmerkte. En natuurlijk beschikte de familie daarvoor over de nodige financiële middelen.
Het derde kind in het gezin Bernardus Matthys en Ferdinande Van Der Smissen, Charles-Louis, bleef ongehuwd. Aan het begin van de Hoogstraat kocht hij een stuk grond en liet er in 1859 een statig herenhuis bouwen. Hij overleed echter al kort daarop, in 1863, op 57-jarige leeftijd.
Met toestemming van zijn broers en zussen had zijn jongere zus Sophie, begijn in Gent, het nieuwe woonhuis kort daarvoor aangekocht. Ze schonk het aan Monseigneur Bracq, bisschop van Gent, om er een lagere meisjesschool met internaat in onder te brengen. De zusters Maricolen van Deinze werden daarvoor aangesproken en op 26 september 1867 namen vier kloosterzusters er hun intrek. De spreekkamer werd voorlopig als kapel ingericht.
Een maand later, in oktober 1867, werd een school voor lager onderwijs er geopend. De bestaande zijvleugel, waar een paardenstal in ondergebracht was, werd omgebouwd tot klassen. Nog een jaar later werd bovenop het gebouw een verdieping gemetseld en in het verlengde van de voorgevel werd een gedeelte bijgebouwd. Daarin werd een pensionaat voor schipperskinderen ingericht. Het internaat was alleen voor meisjes en de voertaal was uitsluitend Frans.
Op hetzelfde perceel werd in 1868 gestart met kleuteronderwijs. In 1870 verbleven er 17 zusters in het klooster. Op een naastliggend perceel bouwden ze een westervleugel met 3 klassen beneden, een kapel en nog een klas op de 1ste verdieping en een slaapzaal voor internen op de 2de verdieping.
Een jongere zus van Sophie Matthys, Ursula, kocht op 20 december 1885, de oude gemeenteschool voor jongens. Die paalde aan de kloostertuin in de huidige Stationsstraat. De gemeente had kort tevoren op het einde van de Hoogstraat immers een nieuwe school gebouwd, dichter bij de wijk Bruinbeke. Ursula schonk het schoolgebouw aan de zusters, die het als bewaarschool inrichtten. Zo was er een oplossing gevonden voor de groeiende schoolbevolking.
In 1889 richtte Ursula in het klooster een school voor naaldkant op, de blommekesschool genaamd. Drie jaar later kocht ze een woonhuis dat aan de oostkant bij het kloosterdomein aansloot om als weeshuis te dienen. Spoedig werd die woning te klein, ze werd gesloopt en vervangen door een oostervleugel (kant huidig postkantoor), waar bejaarden gehuisvest werden.
Aan de vooravond van WO I telde het pensionaat 50 leerlingen, in de lagere school waren er 145 meisjes en 45 jongens en in de kleuterschool 55 meisjes en 62 jongens.
Bij het uitbreken van de oorlog vluchtten de zusters naar hun bijhuis in Maldegem en wat later verder naar het neutrale Nederland. Intussen werden 400 Duitse soldaten in het klooster gekazerneerd. Ze sliepen er een tijdlang op stro in de klaslokalen. Toen de zusters tegen het einde van het jaar terugkwamen, was de toestand in de lokalen erbarmelijk en waren de ruimtes grotendeels leeggeplunderd. De schoolactiviteiten werden zo goed als mogelijk hervat, maar bij gebrek aan garen bleef de kantschool tot 1916 gesloten.
In augustus 1916 kwam er een vluchtelingenstroom uit de streek van Roeselare op gang. Ze werden er opgevangen en geholpen. Uit erkentelijkheid vloeide daar in de jaren ’20 een Schellebellestraat in Roeselare uit voort. Begin 1917 werd het rusthuis opgeëist als quarantainehuis voor Gentse prostituées met een geslachtsziekte. De nog aanwezige bejaarden werden overgebracht naar een klooster in Overmere. In totaal verbleven er tot na de bevrijding 35 vrouwen in afzondering.
Na de oorlog, op 1 oktober 1920, waren er 68 leerlingen in het internaat. De lagere school verschafte intussen onderwijs aan 210 meisjes en 43 jongens. Daarnaast telde de school 75 kleuters. In 1924 werd er een derde kleuterklas bijgebouwd en heel wat Hongaarse vluchtelingen vonden er onderdak.
Na WO II was de bloeitijd van het internaat voorbij. Van de leegstaande lokalen werden bejaardenkamers gemaakt. Bij de heraanleg van de provincieweg Hoogstraat in 1953 werd een deel van de voortuin onteigend. De hoge afsluiting werd daarbij vervangen door een laag muurtje.
Na 1958 kende de congregatie geen intredes meer en de zusters zagen zich genoodzaakt om het onderwijs uit handen te geven en zich enkel nog op bejaardenzorg toe te leggen. Begin 1995 waren er geen residenten meer, met uitzondering van 3 bejaarde zusters. In 2004 werd het klooster verkocht aan een projectontwikkelaar, die er het huidige appartementsgebouw, residentie ‘De Veerman’ neerzette. De vrije school ‘Het Belleveer’ is het hedendaagse uitvloeisel van een bewogen stuk lokale geschiedenis op die plaats. De zusters rusten onder een gemeenschappelijke gedenksteen op de begraafplaats, voor de zuidermuur van de kerk.

